Ze moest kiezen: wel euthanasie of geen euthanasie.
Maria was nog niet opgenomen of de witte jas vraagt ‘wil je euthanasie?’
De warme golf jaagt door haar lichaam, haar hart gaat te keer, ze pulkt gedachteloos aan de lakens.
Later op de dag is hij er weer. Of ze even het formulier voor aanvraag euthanasie wil invullen.
Het oordeel van de onafhankelijke tweede arts zal geen probleem zijn.
Aan het einde van de dag: ’we hoeven er geen week over te doen, over de euthanasie. Het kan nog voor het weekend’.
Of Maria nog een zielszorger wil zien.
De tweede arts de volgende dag vinkt vlot langs de lijst, de verpleegkundigen willen een datum prikken, een kamer alleen is in gereedheid gebracht. Daar sterven, daar euthanasie.
Ze kan kiezen, ze moet kiezen, vandaag nog.
Hoe absurd is dat?
Om ervan uit te gaan, dat Maria nu een weloverwogen keuze kan maken.
Kan ze zich losmaken van haar zorgen, van haar lichamelijk ongemak, van de druk om haar heen om een weloverwogen keuze te maken?
Ons verlichtingsideaal van zelfbeschikking is een wassen neus.
Het ideaal, dat we onze keuzes volledig door onze rede, ons kritische denken laten leiden.
Onze emoties weggecontrolleerd, volledig met een koud oog de realiteit kunnen beoordelen.
Hoe kun je nu veronderstellen, dat iemand in de laatste fase van haar leven, gekweld door zorgen over nabestaanden, getergd door haar zieke lichaam en geteiserd door de gehaaste efficiëntie van haar artsen in alle rust zelfstandig een redelijke afweging kan maken?
Laten we haar niet meedogenloos alleen? Overvragen we haar niet met ons heilig geloof in zelfbeschikking?
Hoezo ‘moet ze kiezen’.
Als er iets moet, dan is het ons bekommeren om haar nood, haar levensnood.
Zelfbeschikking


