Lichte, bruine ogen staren mij aan, duizelig. De lijnen in zijn ronde, geschaafde gezicht vertellen mij hoe oud hij is. De rondbruine kleur laat de opgeslagen Zonnekracht van jaren zien, Onbewogen en ongestoord verzameld. In de verte hoor ik de
Jeugdig moeiteloos
Ofschoon het pad duidelijk is, De te nemen passage helder, Aarzel ik. Het platgetreden spoor is niet verkieslijk, De gevolgen van gedachteloos doorgaan Zijn in perspectief zichtbaar. Het trucje HOE over afschrikkend draad te klimmen, Springt vrolijk en ondeugend in
De afstand van de dood
Er kwam een moment, dat ze stil bleven. Niet meer zeiden waar ze behoefte aan hadden. De gesprekken voerden ze in hun eigen hoofd, stil op afstand. In gewaagde zinnen, die nooit enig geluid kregen. Twee grijze hoofden naast
Bomenbenen
Wanneer hun benen de mijne waren Zou ik stevig staan, stormen standvastig trotseren En niet zo zielsallenig gaan. Mijn wortels zouden anderen voelen, Mijn kruin zal wuiven naar de ander Mijn bast zal om te knuffelen zijn. Mijn noten